Vijf C’s

5×C

Vijf elementen ter bevordering van duidelijkheid, effectiviteit, welzijn, en competentie.

5×C (de vijf C’s)

Vijf elementen ter bevordering van duidelijkheid, effectiviteit, welzijn, en competentie.

De vijf C’s vormen een kader voor het beoordelen van de invloed van appetitieve en aversieve gevolgen op gedrag. Het model is oorspronkelijk ontwikkeld om het gebruik van aversieve stimulatie nauwkeuriger te kunnen beoordelen, maar dezelfde vragen zijn ook relevant voor bekrachtiging en andere operante gevolgen.

Het kader kijkt niet alleen naar de vraag of een gevolg aangenaam of onaangenaam is. Het onderzoekt ook hoe duidelijk het gevolg aan gedrag is gekoppeld, welke informatie eraan voorafgaat, hoeveel invloed de hond op de uitkomst heeft, binnen welke bredere omstandigheden het plaatsvindt en hoe stabiel het patroon over herhaalde gelegenheden is.

De vijf onderdelen zijn contingentie, cues, controle, context en consistentie. Zij kunnen afzonderlijk worden beoordeeld, maar bepalen vooral in samenhang hoe begrijpelijk, uitvoerbaar en invloedrijk een leerarrangement voor de hond is.

1. Contingentie

Hangt het gevolg daadwerkelijk af van het gedrag?

Contingentie beschrijft de functionele relatie tussen gedrag en gevolg. De centrale vraag is of het uitvoeren of nalaten van een bepaald gedrag de kans op de gebeurtenis daadwerkelijk verandert.

Bij bekrachtiging betekent dit dat het relevante gedrag toegang geeft tot een gewenste uitkomst. Bij bestraffing betekent het dat het gevolg herkenbaar samenhangt met het gedrag dat moet afnemen. Ook ontsnapping, vermijding en het vervallen van een kans kunnen op deze manier worden beoordeeld.

Een zwakke of onduidelijke contingentie maakt het moeilijk om te leren welk gedrag verantwoordelijk was voor wat er gebeurde.

2. Cues (voorspelbaarheid)

Kan de hond voorzien wanneer en waaronder het gevolg optreedt?

Cues gaat over de informatie waarmee de hond kan anticiperen op een gevolg. Dat kunnen expliciete signalen zijn, maar ook locaties, personen, handelingen, tijdspatronen of andere herkenbare omstandigheden.

Een gevolg kan volledig afhankelijk zijn van gedrag en toch slecht voorspelbaar blijven wanneer niet duidelijk is wanneer de betreffende contingentie actief is.

Goede cues begrenzen de gebeurtenis. Zij maken duidelijk wanneer een bepaalde uitkomst mogelijk is en wanneer de hond juist niets hoeft te verwachten.

3. Controle (beïnvloedbaarheid)

Kan de hond door zijn gedrag invloed uitoefenen op de uitkomst?

Controle wordt vanuit het perspectief van de hond beoordeeld. De vraag is of de hond door een praktisch uitvoerbare respons de gebeurtenis kan veroorzaken, behouden, voorkomen, beëindigen, verminderen of uitstellen.

Bij appetitieve gevolgen gaat het bijvoorbeeld om een betrouwbare manier om toegang tot bekrachtiging te verkrijgen. Bij aversieve gevolgen gaat het onder meer om ontsnapping, vermijding of het voorkomen van verdere stimulatie.

Een theoretisch beschikbare respons biedt weinig werkelijke controle wanneer de hond deze niet kan herkennen, niet kan uitvoeren of slechts zelden succesvol kan toepassen.

4. Context

Welke kansen, beperkingen en concurrerende invloeden omringen het gevolg?

Context omvat de bredere gedragsmatige en affectieve omgeving waarin het gevolg plaatsvindt. Een afzonderlijke consequentie staat niet los van de andere kansen, beperkingen en verwachtingen die op dat moment aanwezig zijn.

Daarbij kan worden gekeken naar beschikbare bekrachtiging, alternatieve gedragingen, concurrerende gevolgen, veiligheid, conflict, inhibitie en suppressie. Ook de vraag of de hond daadwerkelijk toegang heeft tot wenselijke uitkomsten hoort hierbij.

Ook de vorm van gedragscontrole kan relevant zijn. Bij actie–uitkomstcontrole (A–O) blijft gedrag gevoelig voor de verwachte waarde en beschikbaarheid van de uitkomst. Onder sterkere stimulus–responscontrole (S–R) kan gedrag meer gewoonteachtig en automatisch door de situatie worden uitgelokt, waardoor verandering van het directe gevolg minder onmiddellijk invloed hoeft te hebben.

Voor aversieve gebeurtenissen is relevant of zij zijn ingebed in een verder veilige, succesvolle en bekrachtigende interactie. Voor appetitieve gebeurtenissen is relevant of toenadering en deelname mogelijk zijn zonder dat andere omstandigheden dit blokkeren.

5. Consistentie (uitkomst)

Hoe stabiel is het gevolgpatroon over herhaalde gelegenheden?

Consistentie beschrijft het patroon waarmee een gevolg over herhaalde gedragsgelegenheden optreedt. Het gaat niet noodzakelijk om een gevolg na iedere respons, maar om de stabiliteit en leerbaarheid van het feitelijke schema.

Een continu, intermitterend of variabel schema kan ieder consistent zijn wanneer het patroon aansluit bij het beoogde leerproces. De relevante vraag is hoe vaak de hond succesvol het bedoelde gevolg bereikt en welke andere gevolgen ondertussen optreden.

Bij bekrachtiging beïnvloedt het schema onder meer verwerving, responsfrequentie en persistentie. Bij gedragssuppressie kan inconsistente toepassing ruimte laten voor concurrerende bekrachtiging, herstel of terugkeer van het gedrag.

De vijf C’s in samenhang

Geen van de vijf onderdelen bepaalt afzonderlijk de volledige werking.

De vijf C’s zijn geen losse kwaliteitsscores. Een gevolg kan consequent worden toegepast maar slecht aan gedrag zijn gekoppeld, duidelijk worden aangekondigd maar niet beïnvloedbaar zijn, of controleerbaar zijn binnen een context waarin de hond nauwelijks succesvolle gedragsmogelijkheden heeft.

De beoordeling vraagt daarom steeds naar het volledige arrangement: waardoor treedt het gevolg op, hoe kan de hond het voorzien, welke invloed kan hij uitoefenen, wat gebeurt er verder in dezelfde context en welk patroon ontstaat over tijd?

Het kader kan worden gebruikt om een bestaand trainingsarrangement te analyseren, zwakke onderdelen te herkennen en appetitieve of aversieve gevolgen doelgerichter en begrijpelijker vorm te geven.